Rijksoverheid

MDC

Evaluatie LMC 2014

Twee jaar na invoering is in de periode van 1 mei – 1 augustus 2014 de landelijke standaard incidenttyperingen (meldingsclassificaties) geëvalueerd. De evaluatie was gericht op de handhaving, kwaliteitsbewaking en de doorontwikkeling van de meldkamerstandaarden.

Onderzocht is of de doelstellingen van de standaard meldingsclassificaties nog steeds valide zijn. Belangrijkste uitkomst is het besluit tot een striktere handhaving van de LMC set. Zie hiervoor de brief aan de meldkamers.

Hieronder volgt een korte samenvatting van de uitkomsten van de evaluatie.

De evaluatie richtte zich op vijf thema’s:

  1. Landelijke standaardisatie en lokale diversiteit

  2. Het eenduidige incidentbeeld

  3. De partners

  4. Het beheer en de landelijke besluitvorming

  5. De doorontwikkeling

Conclusies evaluatie

  1. De set LMC wordt uitvoerig door de 25 onderzochte meldkamers gebruikt. De niet of weinig gebruikte meldingsclassificaties leiden niet tot de conclusie dat deze uit de landelijke set kunnen worden verwijderd. De landelijke set dient alle mogelijke incidenten af te dekken.
  2. Het meest gebruikt van de meldingsclassificaties in de gemeten periode zijn: Gezondheid (716.460 keer), Dienstverlening/MKA/Voorwaarden scheppend (193.727 keer), Veiligheid en openbare orde/Verdachte situatie (152.747 keer) en Leefmilieu/Overlast/Geluid (129.401 keer).

  3. Er is reden tot zorg als het gaat om de handhaving van de standaard. Standaardisatie wordt op zichzelf breed gesteund echter tegelijkertijd neemt de lokale diversiteit in de regionale incidenttyperingen/ classificaties weer toe. Uit de evaluatie blijkt dat alle meldkamers regionale meldingsclassificaties en/of karakteristieken en waarden toevoegen om regionaal maatwerk te realiseren. Mede vanwege de vrijblijvendheid op het gebied van de standaardisatie is er sprake van een toename.
  4. Tegen de landelijke afspraken in zijn in totaal door alle meldkamers 104 regionale meldingsclassificaties toegevoegd aan de landelijke set. Hiervan staan er 52 op actief. De overige zijn verouderd en nog niet verwijderd. Opvallend is dat van de regionale meldingsclassificaties een groot aantal gerelateerd is aan Gezondheid. Aan de landelijke karakteristieken (171 stuks) isgemiddeld per meldkamer 85 toegevoegd. Van de meldkamers voegt 44% meer dan 85 regionale karakteristieken toe. Regionale karakteristieken zijn landelijk toegestaan echter er is een toename en wildgroei te constateren.

  5. Uit de analyses blijkt dat de regionale toegevoegde classificaties hun oorzaak vinden in:
  6. - het typeren van de regionale inzet van eenheden

    - lokale managementinformatie behoefte

    - informatiebehoefte in de alarmerings- en pagerteksten

    - weergeven kanaalgroepen op de pagers

    - lokale oplossingen in registratie kentekennummers

    - eigen werkwijze en werkprocessen

    Deze regionale toevoegingen aan de LMC set worden door de expertgroep LMC als ‘vervuiling’ gezien. Voor de LMC set gaat het primair om de vraag ‘wat is er aan de hand’: ‘Brand gebouw’ en niet om de inzet zoals ‘Inzet OVD’. Verder blijkt dat grotere meldkamers andere behoeften hebben en bijv. zoeken naar mogelijkheden om overzicht te krijgen. Er worden oplossingen en flexibiliteit van GMS en LMC verwacht zonder dat de gekoppelde systemen hoeven te worden aangepast. Deze werkwijze staat op gespannen voet met standaardisatie. Door het ontbreken van landelijke standaarden in werkwijze en werkproces en door het gebrek aan landelijke multidisciplinaire sturing blijft het lastig om regionale toevoegingen te verminderen.

  7. Op discipline niveau blijkt dat de politie de meeste regionale karakteristieken aanmaakt nl. 51% is toegewezen aan de politie, 27% aan de brandweer, 22% aan de ambulancedienst. Dit staat onder meer in verband met dat een aantal regio’s het aantal opdrijven.
  8. Opvallend is dat de meldkamers sterk onderling verschillen in het soort en aantal regionale toevoegingen. Minimaal zijn 19 regionale karakteristieken toegevoegd door Meldkamer Twente en de meeste regionale karakteristieken zijn door Rotterdam toegevoegd nl. 362 stuks. Waar Twente volstaat met 148 toegevoegde waarden, heeft Zeeland 667 extra waarden nodig.

    In totaal zijn door de meldkamers 9183 regionale waarden toegevoegd. De meeste regionale waarden zijn toegevoegd door de meldkamers Haaglanden en Zeeland. Dit betreft eigen keuzes ten aanzien van Incidentennet en het omgaan met kentekens.

    Omdat er moeilijk een eenduidige lijn te ontdekken is, kunnen hier geen landelijke karakteristieken en waarden uit afgeleid worden. Er zijn hiervoor ook geen verzoeken tot wijziging van de LMC set ingediend.

  9. Met de introductie van de GMS-GMS koppeling is het landelijk eenduidig classificeren van de incidenten een belangrijke voorwaarde. Regionale classificaties werken niet bij de GMS-GMS koppeling als de buurtregio deze niet in GMS heeft opgenomen. Ook is enkel een prioritering bij Gezondheid onduidelijk voor de incidentdeling in de GMS-koppeling. Landelijke afspraken over incidentdeling zijn noodzakelijk.

  10. Het eenduidig incidentbeeld voor de bij het incident betrokken disciplines kan voor alle meldkamers verbeterd worden. Landelijk gezien wordt slechts 77% van de multidisciplinaire incidenten met dezelfde classificatie afgesloten. Als 80% de streefnormis dan voldoen 12 meldkamers aan de norm.

    Het niet eenduidig typeren van het incident door de disciplines die bij het incident betrokken zijn, komt onder meer door lokale monodisciplinaire aansturing en men niet gericht is op het delen van incidentinformatie. Op meldkamerniveau blijkt dat meldkamer Amsterdam het laagste scoort bij de incidenten van de politie/brandweer: 54% van de incidenten wordt gelijk geclassificeerd. Het hoogst scoren Meldkamer Noord Nederland (politie/brandweer en politie/ambulance) en Midden West Brabant (politie/ambulance) met 95%. (PBA: Politie, Brandweer, Ambulancezorg)

    Meldkamer

    PBA gelijk

    PB gelijk

    PA gelijk

    BA gelijk

    MKN

    91%

    95%

    95%

    95%

    LZ

    88%

    93%

    89%

    91%

    UTR

    88%

    92%

    91%

    92%

    GLZ

    87%

    94%

    93%

    88%

    GVS

    87%

    92%

    94%

    91%

    ZHZ

    87%

    91%

    88%

    91%

    MON

    86%

    94%

    74%

    90%

    GLM

    86%

    91%

    94%

    92%

    BN

    84%

    88%

    74%

    87%

    ZLD

    83%

    92%

    85%

    88%

    LN

    82%

    88%

    85%

    83%

    TWT

    78%

    90%

    88%

    82%

    FLD

    77%

    92%

    82%

    75%

    HLM

    77%

    91%

    85%

    86%

    BZO

    77%

    86%

    72%

    89%

    MWB

    73%

    91%

    95%

    77%

    KNL

    73%

    85%

    90%

    72%

    NHN

    67%

    85%

    56%

    93%

    ASD

    66%

    78%

    80%

    54%

    HGL

    61%

    92%

    73%

    71%

    RTD

    38%

    66%

    67%

    46%

    ZWT

    84%

    Gemiddeld

    77%

    88%

    83%

    80%

  11. Uit de praktijk blijkt dat bij de meldkamers ambulancezorg de specialismes en ziektebeelden in de LMC set nog in 8 meldkamers worden toegepast. Dit is naast de toepassing van een intakeprotocolsysteem in andere meldkamer. Deze specialismes en ziektebeelden kunnen op aangeven van AZN pas in overleg met de desbetreffende meldkamers verwijderd worden. Overigens worden de specialismen en ziektebeelden niet meer in de LMC set onderhouden.
  12. Uit de evaluatie blijkt dat naast een positieve houding er ook kritiek is op de LMC. Een aantal mensen vindt de LMC set te groot en te gedetailleerd, het zou te weinig in verband staan met de gestandaardiseerde werkprocessen en bij intakeprotocollen zou de LMC set geen zin meer hebben.
  13. Het antwoord hierop is dat de set LMC alle incidenten moet afdekken en zo lang GMS het meldkamersysteem is, blijft de LMC set de schakel naar het inzetvoorstel en de uitkomsten van een intakeprotocol. Overigens kennen de uitkomsten van de intakeprotocolsystemen ook een omvangrijk aantal coderingen. De LMC set zal in de toekomst opnieuw bekeken moeten worden bij de aanbesteding van NMS en de standaardisatie van gegevens en het begrippenkader.

  14. De partners zoals Rijkswaterstaat, particuliere alarmcentrales, reddingsbrigades nemen de LMC als uitgangspunt. De landelijke meldingsclassificaties spelen een belangrijke rol bij de vorming van het eenduidige incidentbeeld en als brug naar andere systemen. Het belang van de LMC set en eenduidige meldingsclassificaties zal dan ook met de komst van de GMS broker toenemen.
  15. De regio’s hebben een zelfstandige rol naar de partners die gekoppeld zijn met de meldkamer. Bijv. de uitwisseling tussen GMS en de bedrijfsprocessensystemen brandweer en de regionale ambulancevoorziening met haar eigen partners. Partners hebben dus te maken met afstemming op landelijk als lokaal niveau van de meldkamer. Met het landelijk kader gegevensverwerking GMS is het plan een landelijk beleid hierin te realiseren.
  16. Op de vraag of de LMC set voldoende is uitgerust voor de landelijke ontwikkelingen is het antwoord ja. Het is een van de operationele bouwstenen in standaardisatie en de vorming van de landelijke meldkamerorganisatie. Ook als gewerkt gaat worden volgens intakeprotocollenzijn deze gekoppeld aan de LMC set.
  17. Het substantieel compacter maken van de set acht de expertgroep op korte termijn niet haalbaar. (ook intakeprotocolsystemen hebben meer dan 1000 codes). Het specificeren van het incident en de juiste communicatie naar de eenheden zijn leidend. Ook heeft de LMC set een functie bij de opschaling en het herclassificeren of nader classificeren van het incident bij uitgifte.

  18. Het landelijke beheer van de LMC set volgt de overlegstructuur van het Geïntegreerd meldkamersysteem. De behoeftestelling vindt daarom tot nu toe plaats vanuit de monodisciplinaire koepelorganisaties, de lokale meldkamers en hun beheerders. Een meer landelijke invulling en coördinatie die rekening houden met de samenvoeging van meldkamers en de interregionale uitwisseling van incidenten komen nog niet in het landelijke beheer tot uitdrukking.